Belevenissen op station Zandvoort in bezettingstijd van maart 1943 af.

Komst Brits-Indiërs
In het holst van de nacht maakten deze te Tobroek en andere steden in Afrika gevangen genomen heren hier hun opwachting. Veel kleurige hoofddoeken en kroeskoppen. 


       Brits-Indiërs die in Zandvoort gelegerd waren om te vechten tegen de Engelsen.

Toen het ’s morgens licht werd keken wij onze ogen uit. Evenals onze moeders destijds, stonden deze mannen voorovergebogen en alsmaar grijnslachend hun lange zwarte haren uit te kammen, ondertussen klanken uitstotend waar we niets van verstonden. In het najaar, toen het hier te koud begon te worden voor deze aan milder klimaat gewend zijnde kleurlingen, werden zij opnieuw op transport gesteld en vertrokken na een roerend afscheid van hun vele liedjes met twee extra treinen naar het zuiden van Frankrijk onder medeneming van 14 kisten bier, die de Fa. Brokmeier even voor het vertrek van de trein, ter verzending naar Arnhem, op het station had aangebracht.


                              Brits-Indiërs op het strand van Zandvoort

Ter vervanging der Brits-Indiërs gaven, wederom natuurlijk des nachts, de z.g. Russen hier acte de présence. Veel prettigs, uitzonderingen bevestigen de regel, hebben wij op het station van deze van huis en haard verdreven mensen niet beleefd. Ze stalen als raven en wij moesten steeds op onze hoede zijn, om te voorkomen dat goederen, welke aan onze hoede waren toevertrouwd, spoorloos verdwenen. Voor fietsen, vooral als er zich een glinsterende bel op bevond, hadden zij een zwak. Hoewel deze soldaten in leegstaande huizen aan de Zandvoortselaan waren ondergebracht, werden zij heel dikwijls bij het station aangetroffen, omdat in de onmiddellijke nabijheid daarvan zich een huis met : Animir-Mädels” bevond, wat een grote aantrekkingskracht voor hen had.

Bunkerbouwers
’s Morgens tussen 7 en 8 uur kwam er een ware invasie van werklieden, welke in dienst van een stelletje aannemers en ten dienste van onze overweldigers, belast waren met het bouwen van een gedeelte van de Atlantik-wal. Hoewel de aankomst ’s morgens ons de nodige moeilijkheden opleverden, was dit nog niets vergeleken met de narigheid die we ’s avonds bij terugkeer naar de resp. woonplaatsen van deze heren ondervonden. De eerste dagen waren we zo naïef om deze mensen als volwaardige reizigers aan te merken en lieten we ze normaal tot het perron toe. Al heel gauw bleek ons echter, dat we volkomen misgezien hadden. De trein, waarmee de werklieden moesten vertrekken, stond nog niet eens geheel stil of deze werd met man en macht bestormd, zodat de zich in de trein bevindende reizigers geen schijn van kans kregen om uit te stappen. Alles wat de heren in de weg kwam, werd onder de voet gelopen. Een bejaarde dame bijvoorbeeld beklaagde zich, dat er geen knoop, maar dan ook niet één meer aan haar mantel zat, een andere reizigsters was haar bril kwijt, enz. enz. In overleg en met medewerking van de plaatselijke politie werd de horde nadien niet meer tot het perron toegelaten, vooraleer alle aankomende reizigers, onder het “bèh" geroep” van de zich achter de hekken bevindende menigte, het perron hadden verlaten. Dat één en ander met grote moeilijkheden gepaard ging, moge blijken uit het feit dat er geen dag voorbijging, of gummiknuppel of revolver moesten, als dreigement gelukkig, tevoorschijn worden gehaald.

Sluiting en afbraak
Op 7 juli 1944 vernamen wij bij toeval, dat er vergevorderde plannen bestonden om station Zandvoort te sluiten. Onzerzijds was al vele malen geklaagd over het bijzonder slordig lossen van de tientallen wagens grind en kies die hier dagelijks ten behoeve van de bunkerbouw aankwamen. Rails en wissels waren onzichtbaar geworden en voor het rangeerpersoneel was het levensgevaarlijk zich tussen de wagens voor af of aankoppelen te gaan. Toen op laatstgenoemde datum aan een officier van de Wehrmacht werd medegedeeld, dat door ons aan station Haarlem was verzocht alle aldaar transiterende wagens voor Zandvoort tot nader bericht op te houden, daar de veiligheid i.v.m. de toestand van het goederenterrein geen vervoer meer gedoogde, antwoordde deze Duitser zeer laconiek, dat wij die moeite hadden kunnen sparen, daar maandag 10 juli het station voor alle vervoer gesloten werd. Onmiddellijk na dit gesprek brachten wij het hoofdbureau te Utrecht van één en ander op de hoogte. Het bleek dat ook daar deze snode voornemens onbekend waren en men nam aan dat de betrokken officier maar wat gezegd had. Helaas bleek de volgende dag dat het wel degelijk waar was. Met bekwame spoed werden de nodige wagens hier langs het perron opgesteld om de roerende goederen van station en seinhuis in te laden en naar een veiliger plaats te vervoeren.

 
Mijnen moesten worden ingegraven
Na de sluiting werd aan de NS opgedragen, dat binnen de kortst mogelijke tijd de wissels, rails en dwarsliggers van Zandvoort tot de Zanderijvaart moesten worden weggenomen en verzonden, daar in het terrein mijnen moesten worden ingegraven en over de spoorweg een muur zou worden gebouwd. Het opgebroken, vrijwel nog nieuwe materiaal moest naar Winterswijk in Duitsland worden gezonden. Wij prijzen ons gelukkig er aan te hebben kunnen medewerken, dat nog veel van dit kostbare materiaal voor ons land behouden bleef of in elk geval niet zonder meer door de vijand kon worden benut. Wij deden dit op zeer eenvoudige wijze, niet alleen omdat we al op de lagere school leerden, dat eenvoud het kenmerk van het ware is, doch omdat wij bij ondervinding wisten, dat de bezetter er in zijn hoogmoed niet aan dacht dat we hem met eenvoudige, alledaagse trucjes zouden kunnen bedriegen.
We vulden de oliepotten met duinzand
Om ons nieuwe materiaal te behouden, zochten en vonden we plaatsen –bij voorkeur kleine steden of dorpen waar geen vijandelijke bezetting lag- waar oude afgedankte rommel opgeslagen was. We stuurden de hier geladen wagens daarheen, nadat de beplakking “Winterswijk” op een onderwegstation door een andere was vervangen. Het nog uitstekend bruikbare materiaal werd daar afgeladen en dezelfde wagens –de nummers waren namelijk bij de Wehrmacht  bekend- weer met rommel beladen en voorzien van de oude beplakking “Winterswijk” naar het grensstation gezonden. Wanneer ons zo gauw geen geschikte plaatsen bekend waren om de wagens van lading te doen veranderen, waren wij helaas wel genoodzaakt de voertuigen volgens “Befehl” te verzenden. Om deze wagens een aandenken van Zandvoort mee te geven, vulden wij de oliepotten met duinzand. De gevolgen bleven natuurlijk niet uit, want na 40 tot 50 kilometer gelopen te hebben, waren de assen witgloeiend, zodat deze onder de wagen wegsmolten of het voertuig in brand staken, met alle gevolgen van dien (ontsporing en/of versperring). We zijn hierover nooit ter verantwoording geroepen en kunnen dus veilig aannemen dat het Herrenvolk nimmer op de gedachte is gekomen, dat zij door die domme Hollanders bij de neus genomen waren. Alles wat na het sluiten van het station vervoerd kon worden, ging naar elders, behalve 19 ton cokes, die hielden we verborgen en konden hiermee vele mensen gelukkig maken.
 
Spoorwegstaking
In de avond van 17 september 1944 werd door onze regering te Londen de spoorwegstaking gelast. Voor station Zandvoort was dat van weinig belang, daar hier al enige maanden geen trein meer reed.

Incidenten
Op 27 november 1944 werden tijdens een razzia onder meer drie spoorwegambtenaren ingerekend en tijdelijk in theater Monopole ondergebracht. Eén van deze ambtenaren wist uit het gebouw te ontkomen en ongezien het station te bereiken. Hij belde aan, waarop onmiddellijk de deur van de stationswoning geopend werd en hij binnenvluchtte. Nadat ook zijn vrouw, die huilend op straat ronddoolde, binnengehaald was, verbleef dit gezin daar enige dagen om daarna, samen op een fiets, naar Haarlem te trekken. Een vrachtauto van de firma Stork & Co uit Hengelo zorgde voor vervoer naar Almelo, waar hun ouders woonachtig waren.

“Ieder dient zijn land op zijn manier”
Een andere belevenis deed zich voor op 4 januari 1945. ’s Middags om een uur of drie werd bij de stationswoning aangebeld. Het waren geen bekenden, dat bleek wel uit het aantal keren dat de bel luidde. De bewoner, die op het punt stond om uit te gaan en zich juist in het portaal bij de voordeur bevond, werd door de zich aandienende personen –twee Edelgermanen- gezien. Vanzelfsprekend maakte deze toen de deur voor de heren open en informeerde belangstellend naar hun verlangens. Zij moesten de Chef spreken. Hen werd medegedeeld, dat er geen Chef meer was, daar deze zich de afbraak op het emplacement heel erg had aangetrokken en in verband hiermee door de Geneeskundige Dienst der NS was afgekeurd. Nadat ze inzage hadden genomen van een desbetreffende mededeling der NS, die door de bewoner zelf opgeschreven en door Andries Luijendijk –die met nog enige andere Zandvoorters in de stationswoning was ondergedoken- ondertekend was, hadden ze erg met hem te doen en konden ze het aan het uiterlijk van de afgekeurde, naar hun mening, ook wel zien, dat zijn gezondheid veel te wensen overliet. De kwestie was natuurlijk, dat alléén de honger op zijn gezicht te lezen stond. De heren beklaagden zich heel erg over de wijze waarop het NS-personeel het bevel uit Londen opvolgde. Zij verzekerden, dat in mei 1940 het gehele personeel schriftelijk trouw aan de Duitsers had beloofd. Aan de heren werd medegedeeld, dat ze volkomen verkeerd waren ingelicht en zeker 98% der ambtenaren de bewuste verklaring niet hadden getekend. Gaarne wilden ze weten hoe hij (de afgekeurde ambtenaar), die nu toch vrijuit kon spreken, over de staking dacht. Het antwoord luidde, dat hij daar maar liever niet over sprak, daar dit wel eens rode hoofden tengevolge kon hebben. Toen echter de bezoekers op een antwoord bleven aandringen, kregen zij dit in de vorm van: “ieder dient zijn land op zijn manier”. De heren waren min of meer sprakeloos en trachtten hun houding te redden door het aanbieden van sigaretten, die prompt geweigerd werden met de woorden: “ik mag niet roken in verband met mijn gezondheidstoestand”.

Bevrijding en opening
Hoewel de lang verbeide bevrijding op 5 mei 1945 kwam, duurde het in verband met de desolate toestand waarin zich het spoorwegnet in Nederland bevond en het grote gebrek aan materialen en materieel nog tot 3 juni 1946 vooraleer het spoorwegbedrijf in Zandvoort, voor wat het reizigersvervoer betreft, weer enigermate functioneerde.

Geschreven door C. Draijer     vrijdag, 10 april 2009 18:00